5. Maak matches, koppel cliënten aan elkaar

Wie past bij wie? Welke netwerker kan een andere cliënt bij de hand nemen? Welke soort begeleiding is daarvoor nodig? Het doel is om cliënten met elkaar, in verschillende rollen, te laten werken aan het deelnemen aan de samenleving, zinvolle en gezellige activiteiten te laten ondernemen, er op uit te gaan. Nadat de begeleiders hun voorbereidende werk hebben gedaan en hebben bevorderd dat cliënten zich bewust zijn van waar hun behoeften liggen, waar hun talenten zitten en welke mogelijkheden ze hebben om iets voor elkaar te betekenen, is het vooral aan de cliënten.

Voor een deel is het tot stand komen van cliëntennetwerken een kwestie van mogelijkheden scheppen, waarna min of meer spontaan koppelingen ontstaan, terwijl begeleiders op afstand blijven. De matches komen vanzelf tot stand, omdat mensen die op een bepaald moment met elkaar in aanraking komen, bijvoorbeeld tijdens een bijeenkomst in de instelling, ontdekken dat ze iets met elkaar kunnen doen. Voor een deel is het een kwestie van koppelingen máken, mensen attenderen op het bestaan van anderen, bewust verbindingen leggen en ontmoetingen stimuleren. Maar ook mensen aan elkaar voorstellen, na enig denkwerk over wie bij wie zou kunnen passen. Het creëren van mogelijkheden en het scheppen van voorwaarden voor ontmoeting en participatie.

Wat gaan cliënten vervolgens doen? De een blijkt over de vaardigheden te beschikken om sociaal te zijn, een ander zou graag eens met anderen gaan eten maar weet niet hoe ze dat moet doen. Cliënten gaan met elkaar koken en nodigen andere mensen daarbij uit. Een cliënt die zelf lid is van een sportclub introduceert een andere cliënt voor wie deze drempel te hoog is. Cliënten vinden elkaar in hun belangstelling voor films of games. De netwerker kan de andere cliënten stimuleren, maar moet dat niet overdrijven. Alleen maar afwachten is ook niet goed. Essentieel is het toewerken naar een moment waarop netwerker en cliënt verwachtingen uitspreken, mogelijkheden inventariseren en plannen maken. En dan aan de slag gaan.

Sommige cliënten hebben een talent om met anderen te werken. Zij zouden met hulp van hun persoonlijke begeleiders een groep cliënten onder hun hoede nemen. Netwerkers en cliënten kunnen elkaar ontmoeten als ze meedraaien in wijkvoorzieningen. Daar ontmoeten zij andere cliënten en burgers uit de wijk. Zo ontstaan verschillende vormen van verbindingen tussen cliënten, al dan niet ook met burgers, met verschillende doelen.

Deze verbindingen mogen best een tijdelijk karakter hebben. Er mag een eind komen aan een bepaalde koppeling. Nieuwe verbindingen waarbij andere cliënten betrokken zijn kunnen iedereen stimuleren om met nieuw enthousiasme nieuwe activiteiten te ontwikkelen. Dat geldt voor cliënten, en het geldt ook voor medewerkers. Maar wel is het van belang dat binnen een instelling de mogelijkheid cliëntennetwerken tot ontwikkeling te laten komen aanwezig blijft; dat moet niet afhangen van het functioneren van enkele individuele specialisten op dat terrein.